Het kerken overzee, door Ds. M. Grashoff.

Toespraak tijdens het symposium ter gelegenheid van de tentoonstelling “WERKEN EN KERKEN OVERZEE" in het baggermuseum, Sliedrecht, op 14-10-2005

Dank voor uw uitnodiging om iets te zeggen over bovenstaand onderwerp. Ik spits dit, met uw welnemen, toe op het zogenoemde pastoraat onder baggeraars.
Uw uitnodiging zet me weer even terug in de 29 jaren, waarin ik als parttimer pastor mocht zijn.

Uw uitnodiging doet me veel genoegen. Graag wil ik daarom een en ander naar voren brengen vanuit het ontstaan van dit pastorale werk, terwijl ik me ten aanzien van de huidige praktijk moet bepalen tot met veel instemming toekijken naar wat en hoe het nu gebeurt.

Begin jaren-zestig werd het Sliedrechtse predikantenconvent benaderd door de Commissie Kerk Overzee, onderdeel van de Nederlandse Zendingsraad. Deze verzocht de kerken in Sliedrecht eens aandacht te besteden aan een groep mensen die ver van huis werkten, met name de baggeraars in Nigeria.

De predikanten gingen op informatie uit. Resultaat was de oprichting van een Commissie met een heel lange naam. Daarin waren naast genoemd Convent, de Nederlandse Zendingsraad en de Nederlandse Hervormde en Gereformeerde Kerken via hun organen voor de koopvaardij, vertegenwoordigd. Omdat ds Grashoff goede contacten bij de baggerbedrijven vond, werd aan hem verzocht “geestelijke verzorging” voor de baggeraars te organiseren.

Vanaf het begin was er de vraag, wat dit werk moest inhouden. Was het bijvoorbeeld de bedoeling om mensen bij de kerk te houden, zij het op afstand van de thuisbasis? Of wilde men een oogje houden op het zedelijk gedrag van de mannen aan boord en aan de wal tijdens verlofdagen? Of ook: dacht men op enigerlei wijze hulp en steun te moeten bieden in geval van calamiteiten of ernstige problemen thuis?

De gang naar de schepen werd al spoedig gemaakt. In de omgeving van Duinkerken verscheen ds Grashoff, na overleg met de personele diensten van betreffende baggerbedrijven, op bezoek bij ietwat verbaasde mannen. Ook bij hen bleek de vraag wat die dominee kwam doen helemaal nieuw. Men zat niet direct op hem te wachten!

De gastvrijheid aan boord was echter groot genoeg om ook deze vreemde eend in de bijt een plek te kunnen geven. Gesprekken tijdens de maaltijd, of op het werk bij rustige momenten, en vooral tijdens vrije uren in de kantine of aan de bar, kwamen zonder veel moeite op gang.

En zo ontstond allengs inzicht in wat de bezoeker te doen stond. Inzicht bij de bezoeker zelf.

Dit groeiend inzicht had betrekking op genoemde punten: morele vragen, bijv. op het gebied van seksualiteit en huwelijkstrouw, levensbeschouwelijke en culturele kwesties, alsook in sommige gevallen persoonlijke situaties met betrekking tot werk of gezin. Op deze punten wil ik kort nader ingaan.

Morele vragen liepen als eerste in de gaten. Zoals in een kort gesprekje aan de bar op een schip werd geformuleerd: ”Wat komt een dominee nou aan boord doen?”, waarop een collega reageerde: ”Die komt kijken of jij wel netjes leeft, anders ga je naar de hel!”.
Achter deze wellicht serieus te nemen opmerking ligt uiteraard iets anders, namelijk een conflict of onzekerheid over de vraag of je over je eigen gedrag tevreden kunt z ijn.
Falen kan, maar moreel falen legt een zwaardere druk op een mens. Achter alle grappen die gemaakt worden zit iets dat dieper steekt. Dan kom je niet klaar met een zwaarwichtig klinkend maar in feite enigszins hol antwoord dat naar hogere normen of een goddelijk gebod verwijst. Je kunt ook relativeren, eventueel door een grap over de hel te maken, want die zijn er genoeg.

Grappen en vragen niet uit de weg gaan kan eventueel de weg banen naar een duidelijker gesprek over normen in je leven en wat je er mee doet. Of ook: wat anderen er voor jou mee willen doen .
Daarmee werk je als pastor aan het welzijn van mensen. Een weg wijzen in gewetensvragen is immers positief. En hiermee is een deel aangegeven van de functie die een pastor aan boord uitoefent. Thuis is tijdens het verlof de gelegenheid voor zo'n gesprek niet altijd makkelijk te vinden – nog daargelaten de vraag of de thuisomgeving veel begrip voor de problematiek van de baggeraar “buitenaf” kan opbrengen.

Is hiervoor nu een kerkelijk vertegenwoordiger nodig? Ik meen, dat in ons calvinistische landje, en mijns inziens niet alleen daar, de doorwerking van de godsdienst ver gaat.
Morele vragen zijn gewetensvragen. Geweten heeft te maken met dieper liggende motieven die niet zonder godsdienstige of levensbeschouwelijke aspecten zijn. Reeds het aanvaarden van gezag over het geweten van een mens verwijst naar een “hogere” instantie. Zij raakt daarmee aan de diepste overtuigingen van een mens.
Wie zich op het eigen geweten beroept, is niet ontslagen van de noodzaak om zich te verantwoorden . Daarmee wordt het gesprek over wat men al dan niet verantwoord acht, betekenisvol. Onder andere kerken hebben hierin een traditie achter zich die heel behulpzaam kan zijn.

Een onderwerp dat speelt in een kring van mannen die gedurende lange tijd ver van huis zijn is bijvoorbeeld huwelijkstrouw. Deze trouw kan worden geëist op grond van belofte, van respect voor de partner, van de bijbel of ander gezaghebbend boek. Ze kan ook gezien worden als een afspraak die mensen met elkaar maken.

Ik leerde inzien dat in dezen twee partijen in geding zijn die gelijke rechten hebben ten opzichte van elkaar. Op de vraag hoe ik over deze zaak dacht, kon ik niet anders antwoorden dan dat het een zaak betrof tussen twee partners die binnen hun specifieke relatie overeenstemming in deze moesten hebben. Gelijke rechten voor ieder van hen was en is naar mijn overtuiging onmisbaar, en openheid over en weer al evenzeer. Verder meende ik toen en nu niet te mogen gaan.
Een boek als de Bijbel, ontstaan in een cultuur waar polygamie niet zonder meer werd afgewezen, kan hier niet altijd uitsluitsel geven. Juist de theologisch gevormde pastor kan hierin helderheid verschaffen. Daarmee is zijn functie, ten minste gedeeltelijk, omschreven.

De gedachte dat de pastor er is om mensen bij de kerk te houden , kan heel belemmerend zijn.

Het gaat dan immers om het belang van de kerk , en juist in een vreemde omgeving moet het gaan om de mensen die daar leven. Kopiëren van thuis bestaande gewoonten helpt mensen niet.
Een simpel voorbeeld: een baggeraar ergens uit ons rivierengebied vertelde me dat hij tijdens verlof thuis niet naar de kerk kon gaan: dit zou zonder meer schijnheilig zijn omdat hij immers hier in Frankrijk op zondag moest werken.
Mijn antwoord had als uitgangspunt, dat de zondag een menselijke, kerkelijke, instelling is, die onderscheiden moet worden van de sabbat waarvan in de Tien Geboden sprake is. Mijn gesprekspartner kon dit niet appreciëren. “Als ik dit thuis tegen mijn grootmoeder vertel, zegt ze ‘dat is geen goede dominee”.
Ik heb dat maar toegegeven en toch gepoogd hem een beetje op eigen benen te zetten en zijn eigen geweten te laten vormen.
Met deze nadruk op het eigen geweten wil ik niet suggereren, dat deelname aan een kerk overbodig of zinloos zou zijn. Maar een kerk ontstond en ontstaat binnen een bepaalde cultuur en draagt daar alle sporen van. Eenzijdige nadruk op de scopus “mensen bij de kerk houden” helpt die mensen niet om hun plaats te bepalen. Het instituut overheerst. Daarmee is niemand gediend. Ten dienste zijn van mensen: dat is naar mijn overtuiging een wezenlijke omschrijving van de functie van de pastor.

In de praktijk betekent dit: dat de pastor de mensen helpt om hun weg te vinden in de vragen die ook vanuit hun godsdienstige opvoeding op hen af komen.

En dan is er de persoonlijk - pastorale functie.

Omdat het hier om heel persoonlijke zaken kan gaan, past terughoudendheid. Toen tijdens de Irak-oorlog Nederlandse baggerschepen met hun bemanningen werden vastgelegd, hebben de betrokken bedrijven de pastor een volwaardige plaats in hun crisisteam gegeven. Dat was reeds “na mijn tijd”, maar ik wil het vermelden als blijk van het belang dat aan zijn werk “voor de mensen” werd gehecht.
Uit eigen ervaring kan ik wijzen op familiegebeurtenissen als onverwacht overlijden van een gezins- of familielid, of ook wel huwelijkscrises, waarin ik een functie kon hebben.
De personele diensten van de bedrijven zijn in deze van onschatbare waarde, maar de aanvulling vanuit die “andere” wereld, de kerkelijke, bleek functioneel en werd op prijs gesteld.

Tenslotte: de pastor is op de vloot iemand geworden die er echt bij hoort. En dat is meer dan in sommige bedrijven kan worden gezegd. Dit heeft zeker te maken met de speciale positie van de werknemers in de bagger, veroorzaakt door het gescheiden zijn van gezin en familie als uitvloeisel van hun werk.
Maar het is ook blijk van toegenomen aandacht voor de mens in het bedrijf, die ik heel positief waardeer.
Dat onze Stichting hieraan een bijdrage mag leveren, geeft mij persoonlijk het gevoel dat mijn predikantschap meer was dan een geïsoleerd gebeuren in een uithoek van de samenleving.

Dat stemt tot dankbare voldoening.

Ds M. (Rinus) Grashoff